Geschiedenis

Al heel vroeg waren er in de Veluwse dorpen en aan de postwegen herbergen gevestigd. Otterlo vormde daarop geen uitzondering en in de Bataafs-Franse tijd (1795-1813) was er in de Dorpsstraat al sprake van een herberg. Volgens de huisnummering uit 1812 woonde in de Dorpsstraat 19 Karel Mulder, die behalve boer ook herbergier was. Karel werd op 27 maart 1775 in Otterlo geboren als zoon van Evert Jansen Mulder en Jacomijntje Kaerels. Op 2 april werd hij in de kerk van Otterlo gedoopt door dominee Henricus van Itterson. Karel was in de eerste plaats boer en behoorde tot de geerfden van Otterlo. Hij behoorde tot de weinige rijke boeren in Otterlo zoals bleek uit de vermelding in een register van dienstplichtigen uit 1812. De geerfden hadden het recht om hun schapen te weiden op de gemeenschappelijke buurtgronden. Ook mochten ze daar plaggen steken die, vermengd met de schapenmest, gebruikt werden om nog een redelijke oogst van de arme zandgronden te krijgen.

De Roode Lelie
Een zoon van Karel, de in 1819 geboren Evert Mulder, zette het bedrijf van zijn vader in 1848 voort en ook hij werd zowel landbouwer als kastelein genoemd. In 1840 werd in een akte voor het eerst de naam De Roode Lelie genoemd voor de herberg van de familie Mulder. Evert bleef tot 1859 herbergier in De Roode Lelie en droeg in dat jaar de zaak over aan zijn 6 jaar jongere broer Jan. Jan overleed in Otterlo io 9 juni 1893 op 68-jarige leeftijd en is waarschijnlijk tot zijn dood eigenaar van De Roode Lelie geweest.

Cafe Transvaal
Gerrit Pieters uit Apeldoorn nam De Roode Lelie over en veranderde de naam in Cafe Transvaal. Het was de tijd waarin de Boeren en de Engelsen oorlog voerden in Zuid Afrika. De Nederlanders waren op de hand van de Boeren en de naamgeving van Cafe Transvaal zal ongetwijfeld mee te maken hebben gehad. Het verhaal dat de ronde doet over een bezoek van Paul Kruger een Christiaan de Wet aan de Otterlose herberg en dat de naam Transvaal daaraan te danken is, kan waar zijn maar dat is verder niet vast te stellen. Op de foto’s uit die tijd zien we een koetsje waarmee de gasten opgehaald werden. Ook was er een kruidenierswinkel naast het Cafe gevestigd. Opvallend is het museum voor natuurlijke historie dan kennelijk bestemd was om de gasten naast het vermaak ook enige kennis bij te brengen. In 1899 nam Arnoldus den Dolder de zaak over van Pieters, hij bleef tot 1907 in Otterlo.

Werkelijk waar
In februari 1899 werd Otterlo door een zware brand geteisterd, een waarin de duivel de hand had. In de Middeleeuwen werd een pastoor in de Aanstoot (Otterlo) door de duivel gekweld. Zijn schutspatroon die hij om hulp vroeg liet hem in de steek, zodat hij ten einde raad een list bedacht om de duivel te slim af te zijn. Hij kocht bij de smid een zware ketting met een stevige kram die hij samen met een hamer onder zijn pij verstopte. Zo ging de pastoor op stap in de richting Wekerom en net toen hij Eschoten gepasseerd was, werd hij door de duivel belaagd. De pastoor liep onder aanroeping van de Heilige Maria naar een dikke eik en ketende de duivel vast met de ketting. Vervolgens zei hij:”ik verban U voor eeuwig aan deze ketting en nooit zult ge meer terug mogen keren in de Aanstoot”. De duivel schrol hevig en smeekte de pastoor om ieder jaar een hanetree (een pas van een haan) in de richting van de Aanstoot te mogen doen. De pastoor gaf toe en de rust in Otterlo was hersteld.
Maar in 1899 was de duivel terug en gezeten op de torenspits blies hij een hevige storm uit het oosten aan. De bakker naast Cafe Transvaal had zijn oven flink opgestookt en een vonk sloeg over naar de hooiberg van de buurman in de kortste keren brandde het halve dorp af. Een ongeluk denkt u misschien, de oude Otterloers weten wel beter.

Jagersrust
In 1907 nam Martinus Poelman Cafe Transvaal over en ging daar met zijn tweede vrouw Gerritje Beumer wonen. Martinus was in de eerste plaats kunstschilder en jager en liet de zaak aan zijn vrouw Gerritje over. Transvaal veranderde van naam en heette voortaan Jagersrust.
Martinus Poelman was een echte levensgenieter die zijn schilderijen, in de stijl van de Haags School, met kwistige hand uitdeelde. Hij beschikte over een uitstekende wijnkelder die fijnproevers van heinde en ver aantrok. Een keer per jaar kwam Prins Hendrik met de koets op bezoek om wijn te kopen. Martinus had een broer die in het toenmalige Nederlands-Indie werkte en die als hij met verlof was opgezette exotische vogels en dieren meenam. Gelukkig liet Martinus veel foto’s maken waarbij hij ervoor zorgde zelf het middelpunt te vormen. Martinus had uit zijn eerste huwelijk twee zoons, de tweeling Martinus en Teunis. Martinus senior vond dat een tweeling ook een tweelingfiets moest hebben en dus liet hij de smid zo’n fiets maken. Teunis, die bij de Heidemaatschappij werkte, nam na het overlijden van zijn vader Jagersrust over. Net als zijn vader Martinus was hij een verwoed jager. Samen met zijn jachtvriend dokter Beumer, die toen in ’t Witte Hoes woonde, jaagde hij in het Otterlose bos, de Hoef en het Jeneverbessenbos. Hij was een sociaal mens, want het geschoten wild ging voor een groot deel naar de armen waarbij dokter Beumer hem vertelde wie het het beste konden gebruiken. Achter Jagersrust hield hij een dierentuintje met o.a. damherten, een wild zwijn, een wolf en fretten. Teunis was geen echte horecaman, want als het druk werd, pakte hij zijn geweer en ging op stap en liet de zaak over aan zijn vrouw Francina van den Kamp uit Deelen. In de jaren 1952 tot en met 1954 woonde de jongste zoon van het echtpaar Kroller-Muller op kamers in Jagersrust. Hoewel zij een ruimte toelage hadden, konden zij daar, gezien hun manier van leven, niet van rondkomen. Bob Kroller en zijn vrouw Thylla waren in die jaren bekende verschijningen in het dorp. Teunis overleed in 1976 en Jagersrust werd een jaar lang door zijn zoon Frans Poelman geexploiteerd. Om te kunnen voldoen aan de eisen van de tijd was een miljoenen-investering nodig en dat was reden voor Frans om niet door te gaan met het familiebedrijf. De zaak werd verkocht aan iemand uit Harskamp, maar de naam Jagersrust werd gehandhaafd.

Kruller
Het bedrijf is daarna nog in verschillende handen geweest en heeft een tijd leeggestaan voordat het in 1998 door de familie Bom, die ook hotel Sterrenberg in Otterlo exploiteerde, aangekocht werd. Na een grondige verbouwing werd in dat jaar Jagersrust heropend onder de naam Grand Cafe Hotel Kruller. Na 8 jaar was het wederom tijd voor een nieuwe uitbater. Sinds 1 juli 2006 is het Sonja en haar team die zich bekommeren om de gasten.

’t Witte Hoes
’t Witte Hoes behoort tot een van de historische gebouwen van Otterlo. De ‘instructie voor den Gemeente Geneesheer te Otterloo’ werd vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 6 juni 1906. Dit pand is destijds gebouwd voor fl 5.745,-. Het ‘doktershuis’ is tot 1963 de dokterswoning van Otterlo en Harskamp gebleven.

Dr. Beumer heeft van 1919 tot 1955 gefunctioneerd als gemeentearts. Aangezien zijn opvolger niet meer tot gemeentearts werd benoemd, ging de gemeente over tot verkoop van de woning. Dr. Goossens heeft enige tijd vanuit ’t Witte Hoes gewerkt en is vervolgens naar de huidige locatie van de huisarts gegaan, de Eikenzoom.

Vanaf 1963 is de woning als pension ingericht. Familie De Koning heeft het pand in 1978/1979 verbouwd tot de huidige gedaante. Na familie Rikkenga en familie Van Der Ree is het vanaf maart 2011 aan ons hier een mooie geschiedenis te gaan schrijven.